Wednesday, February 13, 2008

Dokter Van Renterghem en zijn vervoer (1845-1939),

Terug naar webwinkel van Antiquariaat Lilith


Ried toch wat an, dokter!
Dokter Albert Willem van Renterghem (1845-1939), in het buitenland meer gekend dan in Nederland, verdiende hier zijn sporen met de introductie en toepassing van de medische hypnosetherapie en de psychoanalyse. Ook was hij medewegbereider van een meer liberale seksuele moraal in Nederland.Aanvankelijk was hij voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden, die als Zeeuwse plattelandsarts zijn kost verdiende. Door de kennismaking met het hypnotisme verliep de carrière van de jonge van Renterghem echter heel anders.Met Frederik van Eeden opende hij in 1887 te Amsterdam de eerste kliniek in Nederland, en wellicht ter wereld, speciaal voor behandelingen met hypnotisme. Zij zetten daarmee een beweging in gang die de hypnose niet alleen in de Nederlandse geneeskunde introduceerde maar die ook tal van culturele zaken beïnvloedde. Te denken valt daarbij aan letterkunde, toneel, en film. Voor de ontdekking van de moderne hypnose schreef men de verschijnselen, die nu toegedicht worden aan de hypnose, toe aan het zg. magnetisme. Toen was dat magnetisme een dankbaar thema voor menig schrijver. In Nederland waren dat onder meer Jufvrouw Hasebroek, Willem Bilderdijk, P.F. Kerckhoven. en Arend Fokke Simonsz. Binnen enkele jaren werd het bon ton om hypnotisme in het werk te verweven. We zien het in de romans van Louis Couperus, Frits Lapidoth en Maurits Wagenvoort, een toneelstuk van Jan de Hartog maar ook in een verhaal van Adriaan van Dis. Om nog maar te zwijgen van de talloze science fiction- en detectiveverhalen zoals in de Lord Lister-reeks en Ivans.Deze verbreiding van de kennis van het hypnotisme bewerkstelligde ook een brede acceptatie van de vele buitenlandse boeken, toneelstukken, films en wat al niet met hypnose. Het is nu bijna onvoorstelbaar dat de vanzelfsprekendheid waarmee kinderen van nu spelen met pokémons als Drowsee en Hypnos ooit begonnen is met de ritjes van de Zeeuwse dokter van Renterghem met huurkoetsier Duvekot.Ried toch wat an, dokter!Als Albert Willem van Renterghem op 9 juni 1856 zijn elfde verjaardag viert vertelt zijn moeder hem dat vader besloten heeft hem eind augustus naar een kostschool te brengen. Midden in de week, voor de kermis begint, is het zover. De kermis van dat jaar zal hij dus niet meemaken. Als pleister op de wond is het vooruitzicht voortaan te boek te staan als ‘groote jongen’. Vele jaren later noteert van Renterghem daarover in zijn autobiografie:“…Vader van Renterghem moest voor zaken in Amsterdam zijn en combineerde die reis met het bezorgen van zijn zoon op de kostschool te Weesp. Broer Klaas had net zolang gezeurd totdat hij mee mocht zijn broer weg te brengen. Goes had toen nog geen spoorwegverbinding met de Brabantsche wal; zelfs voer de Goessche Stoomboot nog niet. Zoo bracht ons moeder en de andere kinderen naar het Hotel de Korenbeurs, waar de stoombootwagen naar het Catsche veer afreed, die ons straks naar de Middelburgsche Boot zou brengen. Een groote, bruingeschilderde houten kist bevatte mijne kleeren. Deze werd op de Imperiale geplaatst, waarna hartelijk afscheid werd genomen en vader met zijn zoontjes wegreed onder veel handgewuif. Ik was, het moge tot mijn schande worden gezegd, meer onder den indruk, dat ik de kermispret zou misloopen dan onder dien, dat ik moeder en het ouderlijk huis verliet. De rit naar het veer, de vaart in een roeiboot van de wal naar de Middelsburgsche Boot, die ons op stroom opnam, verdreef intusschen elk gevoel van weemoed en Klaas en ik keken onze oogen uit op die mooie raderboot met al haar reizigers in de groote kajuit en straks het deftig aanzitten aan de table d’hôte. Na een vaart van ongeveer zeven uren bereikten we het zoo drukke Rotterdam en stevig hielden we vaders handen en volgden onder zijn geleide den man, die met de bagage ons voor ging naar het Haringvliet, waar we in Hotel Weimar gingen overnachten.Den dag daarop deden we met vader een wandeling langs de Boompjes, waar tal van groote zeilschepen, Oost-Indië-vaarders, aan de kade gemeerd, lading innamen of losten. De drukte van de karren en paarden en sjouwerslieden imponeerden me sterk en gaven me een onveilig gevoel. Krampachtig hield ik mijn hand tegen mijn kiel, ter hoogte van het horlogezakje speciaal door moeder aangebracht om het zilveren uurwerk mij pas door vader den 9en Juni vereerd te herbergen. Vader, die deze manoeuvre opmerkte en me vroeg wat deze beteekende, prees mijne voorzichtigheid, maar meende, dat het gevaar voor zakkenrollers hier zoo bijster groot niet was. Pas toen we in een minder drukke straat kwamen kreeg ik ontspanning en voelde mijn bezit een heel stuk veiliger.Dan ging onze reis met de Hollandsche Spoor naar Amsterdam. Van deze reis is mij alleen de herinnering bijgebleven, dat de conducteurs trompetsignalen gaven voor het aanzetten en stoppen van den trein. Bij aankomst namen we een vigilante. Als oudste mocht ik naast pa op het achterbankje zitten, wat de jaloezie opwekte van Klaas. En deze gaf uiting aan die gevoelens op het oogenblik, dat het rijtuig stil stond bij een kantoor, waar vader even was binnengegaan om zaken af te doen. Bij zijn terugkomst vond hij ons aan het plukharen om de eereplaats. De twist werd aldus door hem beslecht: Klaas mocht nu naast pa op het achterbankje zitten tot we op het Weesperplein van rijtuig zouden verwisseld hebben en dan mocht Albertje voor het laatst, den gansche weg tot Weesp naast vader plaats nemen. Zoo geschiedde en in een vigilante met een versch paard deden we de rit van het Weesperplein naar Weesp in ongeveer twee uren tijds. In den namiddag kwamen we aan de kostschool aan.”Vanaf dat moment, op 26 augustus 1856, waarop Willem Albert van Renterghem zijn eerste stapje zette op een lange weg die zou leiden tot zijn doctorsbul en benoeming tot gemeentearts van Heinekenszand in 1877 ligt een wereld van ervaringen: studeren natuurlijk, maar ook een leerperiode als scheepsarts bij de Marine, reizen naar Indië , familiegebeurtenissen, verliefdheden, voorspoed en tegenslagen. Allemaal dingen die belangrijk voor hem waren, die hem vormden voor het lange leven dat hem wachtte.Hoe jammer ook, die periode slaan we over en concentreren ons op zijn leven vanaf zijn benoeming tot gemeentearts van Heinekenszand. Dat was het ogenblik dat Dr. Van Renterghem in beweging kwam en het roer van zijn leven zelf ter hand nam. Vanaf dat moment volgen we hem op zijn levenspad om te zien hoe, en waarmee hij zich verplaatst. We maken daarvoor dankbaar gebruik van wat hij daarover noteerde in zijn autobiografie. In zijn eigen stijl en de kleur van zijn tijd vertelt van Renterghem daarmee niet alleen het reisverhaal van zichzelf maar ook over ‘t vervoer van vele andere gewone Nederlanders tussen 1856 tot 1921.Nadat Dr. Albert Willem van Renterghem in 1877 in Heinekenszand benoemd is als gemeentearts moet hij zich een plekje veroveren tussen de al gevestigde geneeskundigen. In de 11 jaar die hij bij de Marine als militair geneesheer diende had hij nooit te maken met broodnijd. Daar waren rangen en standen die zekerheid boden. Aan boord van de oorlogsschepen werd hij geëerbiedigd door minderen, terwijl zijn mede officieren, ook de meerderen in rang hem ontzagen en als gelijkwaardige beschouwden. Dat is nu wel anders. Bijna elk dorp heeft zijn eigen geneesheer die daar ook woont. Op een uitzondering na zijn die plattelands-genees-, heel, - en vroedmeesters nog opgeleid aan een klinische hogeschool waarvan elke provinciale hoofdstad er een had. Deze geneesheren, van Renterghem noemt hen platlandici, hebben een beperkte bevoegdheid tot de uitoefening van de genees-heel- en verloskunde. De dorpelingen noemen hun ‘platlandici’ meesters, ter onderscheiding van de geneesheren die dokters heten. Deze laatsten hebben na de nieuwe wet op de geneeskunde, in 1868 door minister Thorbecke ingevoerd, een staatsexamen afgelegd en hebben een volledige bevoegdheid. Als van Renterghem zich in Heinekenszand vestigt is een aantal gemeenten zonder geneeskundige. De aanvoer van de meesters is gestopt terwijl de nieuwe dokters nog op zich laten wachten. Van Renterghem is dan gerechtigd drie titels te voeren: nl. 1, Doctor in de geneeskunde, 2. Arts, en ten derde de titel van eervol ontslagen Chirurgijn-majoor. Voor velen heeft deze laatste een belangrijke meerwaarde omdat militair geneeskundigen veel kennis en kunde toegeschreven worden.Behalve de spreekuren in Heinekenszand houdt van Renterghem voor de ‘boertjes’ ook zitting ten huize van zijn vader in Goes’. Vooral dit laatste zien de eerder gevestigde geneesheren als een regelrechte bedreiging. Het eerste slachtoffer daarvan wordt dr. Schilham. Met roddel en zwartspraak probeert hij zijn positie te redden. Dat werkt tegen hem waardoor van Renterghems praktijk juist ten koste van Schilham groeit.LopenHeinekenszand telt in die tijd 1600 zielen en is een ongeveer 1 ½ km. lange straat. Van Renterghem kan zijn patiënten daar dus gemakkelijk te voet bezoeken. De rest van zijn klanten woont her en der buiten de gemeentegrenzen. Aanvankelijk geeft hij daar weinig om: “Ik was jong, krachtig, hield van wandelen, ook was het den aanvang van de mooie tijd van het jaar, begon de zomer. Daarbij waren de omstreken van het dorp wonderschoon. Bovendien begreep ik dat loopen goedkooper uitkwam dan rijden. Destijds was het rijwiel pas in zijn allereerste kinderjaren. En de dorpsdokter, die drukke praktijk van een groot rayon te bedienen had, zag zich wel verplicht zijn toevlucht te nemen tot paard en rijtuig. Niet ongaarne had ik mij een en ander aangeschaft; maar ik wilde geen schulden maken, mij niet noodeloos in schulden steken; besloot dus voorlopig de kat uit de boom te kijken.”Toch moet ook Dr. van Renterghem weldra geloven aan een snellere vorm van vervoer. Zijn praktijk groeit gestaag en dat begint hij te voelen in zijn benen. Ook wint de overweging ‘tijd is geld’ aan belang. Weliswaar wordt hij nu en dan door een boer met diens ‘gerij’ gehaald en gebracht maar het eind van het liedje is dat hij toch zelf voor vervoer moet zorgen.Of toch maar per rijtuig?Een gelegenheid doet zich voor als hij een bejaarde man, de herbergier Koens, behandelt aan diens vergrote voorstanderklier. Deze beseft dat hij de diensten van van Renterghem voor langere tijd nodig heeft en stelt voor de behandeling met gesloten beurzen te betalen. Tegenover de medische hulp biedt hij het gebruikt van paard en wagen. Het rijtuig is een oude met een huif gedekte tweewielige char à bancs met vier zitplaatsen. Het paard is de respectabele leeftijd van 30 al gepasseerd. Ook een koetsier is bij de transactie inbegrepen. Als zodanig fungeert Marien ‘een stik – doove boeren-arbeider van middelbaren leeftijd. Deze onderscheidde zich door een tandeloozen mond, die aanhoudend mummelde op een groote tabakspruim.”“Een gesprek onderhouden met den voerman was uitgesloten,’t noodige dat hij weten moest, was ik verplicht hem door gebaren bij te brengen.”Ondanks de bezwaren is Van Renterghem zeer ingenomen met deze overeenkomst. Een aantal reizen heeft hij gedaan en gemerkt hoe dat zijn benen spaart en tijd wint. Bovendien kan hij tijdens de rit lezen wat hem ook veel waard is.Zo gaat het ook op een hete julimiddag. Van Renterghem wil een visite afleggen bij Klaas van Stee, op 4 mijlen afstand van het dorp in de zg Rietsche bussen.“…Op een sukkeldrafje, sjok, sjok, sjok! reden we onder het lommer der beboomde dijken over den mullen zandweg. Om te lezen was het mij te warm. Zoo was ik zalig ingedommeld, als we de hofsteê, die daar onder aan den dijk lag, naderden. Reeds ging mijn karretje van den dijkrug den schuinen opril af, die naar het boerenerf leidde, toen ik plotseling wakker schrikkend, door mij werd geconstateerd, dat ik op een holletje en wel tusschen de dapper doordraaiende wielen op mijn eigen voeten den dijk afliep. Onderwijl keken mijne oogen zich blind op het dikke achterste van Marien. De bodem van het rijtuig had zich begeven en de koetsier was van het geval onkundig gebleven. Om uit mijn lastige positie te komen, stompte ik zoo hard ik kon, met den vuist tegen Marien’s posteriores. Deze kijkt om, ziet geen baas, denkt verder niet na, maar sukkelt voort. Na een tweede nog heftiger stompen, keert hij andermaal het hoofd om, kijkt nu gelukkig benedenwaarts, doet ietwat verbaasd, doch vervolgt niettemin tot mijn woede ongestoord zijn weg Eindelijk onder aan den dijk voor het gesloten hek gekomen, houdt het paard in en bevrijd ik mij uit den vreemde toestand waarin ik verkeer. Baas van der Stee die ons nu het hek van zijn erf opent ziet lachend het geval aan en complimenteert me met den goede afloop en vernemend dat ik straks nog bij den pastoor moet zijn belooft hij me met zijn eigen gerij te ’s Heerenbroek en vandaar naar huis te brengen. Het is wel overbodig te zeggen, dat ik sedert dien mijn vriend Koens ontrouw ben geworden en voortaan bij een concurrent van hem te biecht ging…”Het is inmiddels najaar. De verdiensten stijgen en de praktijk breidt zich uit. Steeds vaker wordt hij geroepen naar patiënten in de aangrenzende gemeenten zodat er gewoekerd moet worden met de tijd. Daarom vindt de dokter de tijd gekomen om dit zg goedkope rijden in te ruilen voor de deftiger maar ook duurdere diensten van koetsier Kloosterman. Deze ondernemer is gehuwd met de zuster van de gemeente secretaris en vervoert regelmatig gemeentelijke kopstukken. Hij heeft een tweetal goede rijtuigen en twee span geschikte koetspaarden. Tot half 1880 voldoet deze regeling, daarna wordt van Renterghem ook deze vervoerder ontrouw. Dat heeft een paar redenen. In de eerste plaats loopt de rijtuighuur zo op, het laatste jaar zelfs tot Fl.1800,-, dat zelf een paard en rijtuig aanschaffen goedkoper is. “… maar in de tweede plaats werd de koetsier die mij reed, Kloosterman’s eenigen zoon Isaäc niet langer door mij vertrouwd. Herhaaldelijk toch bleek hij onbekwaam voor zijn taak, beneveld door den drank.”De praktijk van de dokter groeit en bloeit. Door de goede reputatie die zijn vader als dokter in het nabijgelegen ’s Heerenbroek heeft opgebouwd wordt van Renterghem daar snel geaccepteerd. Ook de vriendschap tussen zijn vader en de pas overleden pastoor èn voorspraak van diens opvolger, pastoor Wennen, leveren van Renterghem veel welgezeten boeren uit zowel ’s Heerenbroek als in Borsele en Overzand als clientèle op.Snelle regeling van het vervoer van de dokter is dus nodig. Nu besloten is tot aanschaf van een eigen ‘gerij’ wordt tijdens een bezoek in Bergen op Zoom aan zijn broer Jan wordt de zaak besproken. Deze neemt op zich uit te zien naar een geschikt rijtuig en paard. De vader van beiden, zich herinnerend de tijd dat hij in Bodegraven zelf paard en sjees gehouden had, geeft als mening dat zijn oudste zoon niet precies de beste keurmeester van paarden is en raadt hem aan een bevriende boer te raadplegen. Van Renterghem vindt dat beide doen geen kwaad kan en terwijl broer Jan zijn licht opsteekt gaat hij zelf ook op onderzoek uit. Hij spreekt met baas Verschiere, van Heinekenszand die toevallig een beestje te koop heeft dat “.. net den dokter passen zou. Hij liet me het paard op den stal zien, het daarna voor mij draven en noemde me een mij billijk lijkenden prijs. Maar ik had mij vaders waarschuwing voldoende ingeprent, wilde niet overhaast toeslaan, verzocht daarom den gedienstigen landbouwer, om mij in zijn sjees, met het bewuste jonge paard bespannen, eens naar de stad te rijden. Ik moest voor zaken naar Goes; hij zou me dan aan mijn vaders huis afzetten en een poos later weer op komen halen. Door een briefkaart had ik ze thuis verwittigd van het uur van mijn bezoek. Ik sjokte met de 4-jarige merrie, Keetje, naast baas Verschiere in diens sjees gezeten, stadwaarts en tijdens de gansche rit was de verkooper steeds maar opvijzelend de goede hoedanigheden van het beestje, uitweidend over het koopje, dat ik er aan zou hebben, omdat ik het was, zou hij het me laten voor Fl.350,-, terwijl er hem f.375,- waren geboden door een vrachtrijder, maar die beulde zijn paarden zoo af!UitgelachenAangekomen staat de oude heer van Renterghem, met lange pijp in de hand, hem al op te wachten. En als de boer wegrijdt om te stallen oogt de oude man hem na. ‘Wel vader wat zeg je van dat paardje wil’ de jonge dokter weten: “…Je bent toch niet van plan, dat beest te koopen, jongen?”. En ik verzwijg hem niet, dat ik er ernstig over denk. Meteen houd ik hem al het moois voor, dat baas Verschiere me verteld heeft van zijn paard. Zelden heb ik de ouden man zoo hartelijk zien lachen over mijn enthousiasme. De tranen liepen hem over de wangen. “Je zult toch zoo gek niet wezen, hoop ik, Albert? Heb je dan niet gezien, jongen, dat het dier een ingevallen rug heeft, heb je wel opgelet op die dikke pooten, op dat omvangrijke derrière? Het is je reinste, meest onvervalschte ploegpaard! Dat vernietigende oordeel werkte sterk ontgoochelend op mij en bluschte, als een domper het licht, mijne aanvankelijk voor den koop zoo gunstige stemming. Bij den terugrit met baas Verschiere vielen mij de schellen van de oogen, zag ik den ingevallen rug, dat kenmerk van het te jong gebruikt paard en ergerden mij Keetje’s dikke posteriores. De verdere ophemeling van zijn koopwaar door mijn Heinekenszandsche boertje sloeg niet meer in, ik was nu gepantserd tegen zijn overige suggesties, tegen het ,,soet gefluyt van dezen vogelaer.” Terug in Heinekenszand verheelde ik hem niet dat ik nog in gesprek was met andere aanbieders en dat hij wel verder van mij hooren zou.”Gelukkig komt een paar dagen later een brief van broer Jan. Die heeft het vervoersprobleem voorgelegd aan een paar sociëteitsvrienden. Een daarvan weet dat een notaris uit Wouw een Brabantse kar met een mak 4 jarig rijtuigpaard te koop heeft De kar biedt plaats aan 4 personen en rijdt op twee wielen. Het rijtuig rijdt lekker en veert goed meldt Jan uit eigen ervaring. Voor f.250, - kan Dr. Van Renterghem eigenaar worden van het rijtuig. De notaris is een gevoelsmens en wil dat het paard een goede stal krijgt. Een bevriend gepensioneerde artillerieofficier heeft op Jan’s verzoek het paard gekeurd. Voor slechts f.650, - kan van Renterghem de eigenaar zijn van dit buitenkansje. Mevrouw van Renterghem is iets nuchterder in dit soort dingen en raad manlief aan er nog een nachtje over te slapen. Dat doet hij maar het wordt een kort nachtje want de volgende dag wordt, in alle vroegte, broer Jan een brief met expresse gezonden waarin hij bedankt wordt en gevraagd de koop te sluiten. Diezelfde avond nog komt een telegram: “Koop gesloten, kar verzonden, zend vertrouwd persoon afhalen paard”. Die nacht droomt de dokter over zijn koop en zodra hij zijn ogen open doet, zijn paard en wagen weer in zijn gedachten.Natuurlijk moet er ook nog uitgezien worden naar een geschikte koetsier. Zonder te adverteren dienen zich drie gegadigden aan voor de betrekking koetsier-tuinman . Van Renterghem kiest Piet Schippers, ‘een goede geschikte en eerlijk man’ die voor f.7,- per week de post aanvaart.“…Al eenige dagen was in het dorp mijn voornemen om zelf gerij te gaan houden the topic of the day. Tot eer van vriend Kloosterman moet ik zeggen, dat hij mij gelijk gaf daartoe te zijn overgegaan. Een en andermaal toch had ik me bij hem moeten komen beklagen wegens herhaald dronkenschap van zijn zoon Isaäc, als deze met mij reed. Om dreigend ongeluk te voorkomen, had ik hem eens tijdens een rit met een zacht lijntje de teugels van het span uit de handen moeten nemen en zelf sturen, terwijl mijn koetsier zijn roes uitsliep. De oude Kloosterman was prostaatlijder geworden en niet meer in staat zelf te rijden. Het gevolg van mijn handeling was dan ook dat de huurkoetsier zijn standje er aan heeft gegeven en dat zijn zoon naar Amerika is getrokken.”Daags na het telegram, bericht de stationschef van ’s Heer Arendskerke dat een rijtuig, gericht aan Dr. Van Renterghem, is aangekomen. De kersverse koetsier Piet Schippers krijgt opdracht met een huurpaard de kar af te halen. Intussen is de stal die bij de woning van de familie van Renterghem hoort voor f.50,- per jaar gehuurd.“…Het rijtuig zou laat in den middag arriveren. Ik had wat voortgemaakt met de praktijk, verlangend als een schooljongen die jarig is en een cadeau in het vooruitzicht heeft. Na het middageten hoorden we van den kant van ’s Heer Arendskerke gerij aankomen. Nieuwsgierig ijlen mijne vrouw en ik beiden naar buiten en zien een bonk van een boerenpaard opeen sukkeldrafje sjok, sjok, sjok! een tweewielig rijtuig achter zich aantrekken. Toen het naderbij kwam onderscheidden wij een korte breedassige huifkar. De huif is van zwart leer, heeft ter weerszijde aan venster, van achter een kijkgaatje. Het lichaam, de wand van den bak is aan de buitenzijde met een geel zwart dessin beschilderd. Ho! Daar houdt de koetsier voor onze deur stil Piet roemt zeer den wagen. Wij wandelen er om heen, nieuwsgierige buren gapen ons aan. Ons kindermeisje Santje Weststraate, eigen nichtje van Piet voegt zich met (dochterje) Antoinetje en (zoontje) Charltje aan de hand van ons op de stoep. Met ons allen staan we bewonderend het phenomeen te bekijken. Heureux propriétaires! Tot Piet afklimt, na de voorbank te hebben opengeklept, en dokter en mevrouw uitnoodigt om het rijtuigje eens te probeeren en dadelijk geven wij daaraan gehoor, stijgen in, maar Antoinetje verlangt bij ma te komen en Charltje volgt zijn zusje en nu zitten moeder met de twee guus op het achterbankje terwijl vader troont naast Piet. Dan doen we een proefritje door het dorp, waarin we ons allen recht kinderlijk verheugen., Tien minuten daarna gaan de kleintjes naar bed, de kar naar stal en maakt Piet haar toilet. Bereids is hij in het bezit van een gieter en hefboom, een emmer en boender, zeemenlap, enz.. De haverkist is gevuld, een voer hooi op den zolder, eenige bossen stroo liggen op den vloer. Gereed met de karwei, komt Piet orders halen van zijn baas, orders voor morgen. Hij krijgt de opdracht om morgenochtend met den vroegtrein zich te begeven naar Wouw en daar bij den notaris ons paard af te gaan halen.. Naar berekening van den treinenloop kon hij pas ’s avonds laat met het dier terug zijn in het dorp…”Het heeft al tien uur geslagen, de heer en mevrouw van Renterghem hebben de postlooper van ’s Heer Arendskerke al voorbij horen komen. De kinderen en de dienstmeisjes slapen al. De dokter heeft zijn vrouw al uitgelegd dat ze niet laat zijn: “Voordat zoo’n beest uitgeladen is, neemt een heelen tijd, leg ik haar uit.”. Maar vijf minuten laten wordt hij ook ongerust en kan zijn aandacht niet bij zijn lectuur houden. Beiden lopen naar buiten rekken de halzen, kijken de lange straat af maar zien niets en horen niets. Juist bespreken ze om Piet een eind tegemoet te lopen als ze in de stilte van de nacht de regelmatige stap van een paard horen. Het hoefslag wordt steeds duidelijker en spoedig doemen de gedaanten van paard en geleider uit het duister op en weldra staat Piet voor ons, zegt goeden avond, klopt de merrie op den hals en heeft geen woorden genoeg tot zijn dienst om de hoedanigheden te prijzen van ons ros. ,,Je zult wel moe zijn, Piet! Breng het beest maar naar den stal en maak licht dan komen mevrouw en ik nog even kijken! Piet doet wat hem verzocht is, maar hij is niet moe, heeft een mooien dag getroffen, een goed maal eten bij den notaris genoten. “Aardige menschen die Brabanders en zoo lekker hun bier!”. Intusschen brengt hij zijn paard voor den ruif en voorziet het van een kop haver waar het beest hinnikend op reageert. En nu schuiven we den stal in ; tooverachtig belicht de stallantaarn het welgevoede bruine lichaam. We kloppen hem eens op de schonken, wagen het zijn neus te strelen. ,,Hoe heet hij, Piet?” vraag ik den koetsier. Deze meenend dat ik sterk de intonatie leg op den naam Piet, antwoord t,,das goed dokter, dan zammen um maar Piet noemen! Je verstaat me verkeerd Schippers, ik bedoel hoe dat ze bij den notaris het beest noemden? Dat wist hij niet. Mijne vrouw vond Cora zoo’n mooie naam. Zoo heette een paard in een van de laatste romans, die ze gelezen had. Dies besloten we ons paard Cora te doopen. Daarop zeiden we Cora goeden nacht en meteen zijn koetsier met de aanbeveling dat hij ons morgen Dinsdag met kar en paard naar Goes zou rijden. Om half elf zouden we den tocht aanvaarden.”Het behoeft geen betoog dat die tocht naar het ouderlijke huis van de dokter gaat. Met de kinderen komen ze daar om half twaalf aan, al opgewacht door moeder met een paar vriendinnen die haar vragen ’is dat je zeune van Eindjeszand? En is dat zen gerij?’. Piet krijgt opdracht te stallen in ‘het Slot Oostende’ en het gezelschap om half vier weer op te halen.Ook vader is aanwezig en broer Jan die speciaal uit Bergen op Zoom is overgekomen krijgt de welverdiende lof voor zijn zorgen. Vader van Renterghem laat een goedkeurende blik over rijtuig en paard gaan. ‘Wel wat breed’, meent hij, en past niet in het gemiddelde wagenspoor van zand en kleiwegen waardoor het wel wat zwaarder trekken is voor het paard. Aan de andere kant brengt die breedte wel extra ruimte mee. Intussen heeft de trotse eigenaar nog een ontdekking gedaan. Onder de achterbank bevindt zich een grote ruimte die naar achteren met een deurtje opent. Een prachtgelegenheid om daarin een verband-medicijnkist mee te voeren op zijn dagelijkse tournee. Timmerman Weststraate krijgt opdracht daartoe en levert binnen een week een keurig uitgevoerde praktische reis-apotheek. Deze belast de wagen echter eenzijdig te zwaar. Daarom geeft Van Renterghem de blik- en zinkweker de Jong in de Ganzenpoortstraat in Goes opdracht een viertal zinken ballastschuitjes te maken. Deze worden als tegenwicht tegen de medicijnkast onder de voeten geplaatst.Een jaar draagt Cora deze lasten, het eerste halfjaar met meer gratie dan de tweede helft. Van Renterghem beseft dat dit meer aan de eigenaar ligt dan aan het beest. Hij heeft de krachten van het dier overschat en vindt nu dat hij er beter aan gedaan had twee paarden te houden en die om de beurt te laten trekken. Drie maanden laat van Renterghem Cora in de malse wei op verhaal komen in de hoop er nog f.250, - voor te kunnen krijgen.De afnemende kracht van het paard bezorgt van Renterghem steeds meer problemen. Zo heeft hij eens een kwartier op de Sloesche straatweg moeten wachten tot Cora beliefde haar staken op te geven. Vriendelijke woorden noch zweep veranderen haar van gedachten. Dankbaar voor de afwezigheid van toeschouwers lukt het van Renterghem uiteindelijk Cora over te halen aan de toom in een sukkeldrafje huiswaarts te rijden.Een ernstiger voorval doet zich voor in de strenge winter van 1880-1881 tijdens een rit met vrouw en kinderen naar Goes. De medicijnkist en ballast zijn thuisgelaten . “…Na grooten sneeuwval en daaropvolgende kortstondige dooi was strenge vorst ingevallen. Drie dagen hard vriezen had den weg steenhard, hobbelig en glad gemaakt.Het vroor ook dien ochtend geducht. Lènetje (vrouw) zat met de kinderen veilig achterin, alledrie met plaids en warm-waterkruikjes tegen de kou gewapend. Alles ging best tot we op den St.Arendkerkschen dijk kwamen. Pas waren hier de statige rijen boomen gekapt. Spiegelglad was de kruin van den dijk, hardbevroren de rijweg. Er woei een harde, ijzige wind. Midden op den weg gekomen, kreeg de wind die zijdelings inkwam, zoo’n vat op de kar, dat deze zijwaarts uitgleed en maar heel weinig heeft het gescheeld of we waren wagen en paard van den dijk afgesukkeld. Een oogenblik van grooten angst hebben we toen samen doorstaan…..”Eenmaal in Goes aangekomen zien de reizigers op tegen de terugweg. Aangemoedigd door een omgeslagen wind en verminderde koude waagt het gezin van Renterghem het er toch op en reist met de koets terug en komt weer veilig thuis.Weer uitgelachenEen zware deuk loopt de ijdelheid van de dokter op tijdens een rit die hij alleen maakt. Hij heeft Schippers thuisgelaten om tuinwerk te doen maar ook om de rit voor Cora wat minder belastend te maken.Na een anderhalf durend patiënten bezoek in ’s Heerenhoek gaat de tournee voort richting Borsele: “ … Vanuit de herberg waar ik mijn geneesmiddelen bereidde, had ik den ezelwagen van zekeren Fukke gezien, van een kruideniertje uit Goes, die de gansche week door, het platte land afreed en zijne waren sleet in de kleine dorpswinkeltjes. Fukke was een vriend van een borrel en als hij hem om had, kon hij ongenadig het dikke eind van zijn zweep op den rug van den langoor terecht doen komen. Ik was zoowat een twintig minuten op weg naar Borsele en reed juist den opril af, die van den dijk naar den grindtweg afdaalt. Goedmoedig liep mijn beestje zoo’n sukkeldrafje en mijne gedachten waren bij den naasten patiënt dien ik te bezoeken had op eene naburige hofstede, toen ik achter me gerij in snelle vaart hoorde aankomen in de richting van den opril naar den landweg. Even omkijkend herken ik Fukke, maar rijd gewoon mijns weegs. Dan hoor ik in eens eigenaardig schel snerpend fluiten op twee tusschen de tandenrijen geschoven vingers, het bekende sein van een koetsier die zijn voorganger op den smallen weg voorbij wenscht te rijden, en ruimte vraagt om te passeeren. Dit doet mij de arme Cora tot meer spoed aansporen, maar mijne aanmoediging vindt geen gehoor. Dan herhaalt zich, zoo mogelijk nog heftiger, het fluiten en hoor ik Fukke heel dicht achter mij aankomen. Men kan zich het oproer begrijpen dat in mijn binnenste ontbrandt. Een strijd van rechten tusschen den dronken proletariër en den nuchteren maar nijdigen dokter. Al het smadelijke van het geval dat een dokters-koetsje zich zal moeten laten voorbijrijden door een ezelwagen, voel ik diep. De weg is smal, het wagenspoor ligt in het midden van het pad. Zal ik koppig zijn, niet uitwijken, den man negeeren?! Of voldoende uitwijken en hem laten passeeren? Scherper weer doet zich het fluiten hooren. Daaraan paart zich tartend het geroep:,, Ried toch wat an, dokter!” In mijn onmacht om Cora den stap te doen verhaasten, kies ik de wijste maar ook de eenige mogelijke partij, zal ik niet handgemeen met den dronkaard worden, en laat den man voorbij. Nog zie ik het rood-uitdagend-lachend gezicht van den vent, die beukend op den ezel mij passeert en me beloofd aan Moeje Miete (tante Mietje), de herbergierster van het ‘Wapen van Borsele’ te zullen zeggen dat ik over een uurtje kom. Ik had den vent wel willen ranselen. Ik hield me in, gaf geen antwoord op die sarrende woorden, te meer daar ik bij het openstaand hek was gekomen van de hofstede van baas Meeuwse, wiens vrouw ik ging bezoeken. Baas M. had grootendeels de voor mijne ijdelheid zoo fnuikende scène bijgewoond, wat het er voor mijn gevoel niet beter op maakte….”Zoals door van Renterghem gemeld is de winter van 1880-1881 zeer streng. In februari heeft het dagen lang flink gesneeuwd en is er voor de dokter geen denken aan dat hij met zijn karretje en Cora op patiënten bezoek kan gaan. Om aan deze moeilijkheden het hoofd te bieden koopt van hij voor f.150,- een flinke arrenslee, rood verlakt met verguld gedécoreerd. Mevrouw van Renterghem en de kinderen kunnen comfortabel in het bakje zitten terwijl de dokter en knecht achterop staan. Met gemak trekt het paard de slee. Ruim 14 dagen genieten zij van dit slederijden en op de twee marktdagen in Goes paraderen ze trots door het stadje.“….Bij het rijden van de praktijk werd de medicijnkist op de achtertrede bevestigd. Schippers stond daar op en kon zo het paard besturen. Soms woei het zeer hard, verblindde ons de fijne sneeuwjacht en verkleumde de snerpende wind zoozeer de handen, dat baas en knecht om beurt de leidsels voerden, elkaar afwisselden….”De 30ste april 1881 trekken de van Renterghems met twee zwaar beladen boerenwagens naar hun nieuwe woonplaats Goes. Daar, aan de westzijde van de Groote Markt, schuin tegenover het huis van de ouders van de dokter, betrekt de familie voor f.400,- per jaar hun nieuwe huis.Vanaf 1 mei worden vaders patiënten door de zoon bediend. Op dinsdag is het spreekuur voor buitenlieden en de woensdag en zaterdag worden besteed aan een vaste route naar Heinekenszand, ’s Heerenboek en Borsele. Om onbekende reden worden paard en wagen afgeschaft. Om zijn buitenpraktijk te verzorgen bedient van Renterghem zich van een rijtuig van de huurkoetsier Duvekot. De arresleê wordt gehouden en bewaard bij de rijtuighouder.Niet altijd is deze vervoerder beschikbaar en de dokter wordt nogal eens nachts weggeroepen om bijstand bij een bevalling. Zo beschrijft hij: ”… er eene die ik halverwege ’s Gravenpolder, onder ’s Heer-Abtskinderen heb verricht bij eene arbeidersvrouw op verzoek van de vroedvrouw A.de Ronde. Midden in den nacht kwam de echtgenoot mij halen en wandelde ik in gezelschap van dezen, die zoo goed was mijn zak met de ‘iezers’ (forcipes) te dragen, een klein uur voor wij ter bestemming kwamen..”Coupee-lectuur & paardentramIn 1887 breekt er een nieuwe fase aan in het leven van van Renterghem. Een tijdperk waarin hij zijn ritjes per paard en wagen dankbaar gebruikt om te lezen. Dat begint met het zien van een recensie van Dr. Henri Beaunis’ over ‘Le somnambulisme provoqué. Van Renterghem wordt gegrepen door het wonderlijke van de therapie met slaap en suggestie: het hypnotisme: “Ik kon eerste het gelezene niet gelooven, zoo wonderbaarlijk leek mij dat alles. Ik vond het iets mystisch. Toch kon ik, neen mocht ik, niet twijfelen aan de waarheidsliefde en den wetenschappelijke ernst van den schrijver, Prof.Dr. Beaunis. Zoo vaag had ik wel eens gehoord van Mesmer en het z.g. dierlijk magnetisme, maar was daar nooit op ingegaan. Ik hield toch een en ander voor bijgeloof en fopperij en achtte het rein tijdverlies om mij daarmede bezig te houden. In een paar dagen had ik Beaunis’s werk doorgelezen, verslonden als het ware en hunkerde naar verdere lectuur over dit onderwerp, speciaal naar het boek van Dr. Liébeault, van den bedoelden wonderdoener quasi-kwakzalver, een boek dat reeds twintig jaar geleden geschreven maar ook doodgezwegen was door de z.g.n. wetenschappelijke wereld….” Spoedig komen ook boeken van andere schrijvers aan de beurt: Azam, Bernheim, Braid, Dupotet, Durand du Gros, Esdaille, Liègeois. Van Renterghem heeft slecht oog en oor voor hypnose en suggestie: “… als ik uitreed naar Heinekenszand en Borsele kortte ik mij de tijd met lezen, geen oogenblik toch tijdens den rit liet ik ongebruikt, steeds door was ik verdiept in mijn studie.Maar Van Renterghem doet meer dan het lezen over hypnose. Hij nodigt zichzelf uit bij Dr. Liébeault in Nancy om zich te bekwamen in de hypnotische therapie en zo gauw hij terug is past hij de psychische geneeswijze zelf toe. De nieuwe aanpak is succesvol, de praktijk loopt stormachtig! Arts en schrijver Frederik van Eeden hoort ervan en komt kijken. Twee weken daarna besluiten de twee mannen samen een praktijk voor behandeling met hypnotisme te beginnen. In Amsterdam nog wel. Het was toen 1 augustus 1887: per 15 augustus begint hun avontuur.Van Renterghem kan voorlopig bij zijn schoonouders in de hoofdstad logeren totdat de levensvatbaarheid van de onderneming is gebleken en de rest van het gezin van Renterghem ook de grote stap kan maken.Zo komt het dat Dr.van Renterghem op 15 augustus in de vroege ochtend per paardentrammetje tot de Paleisstraat rijdt om vandaar te lopen naar zijn nieuwe praktijkruimte: Singel 183.Ook daar loopt de praktijk storm en al na enkele dagen begrijpen de artsen dat de paar kamers die ze huren verre van ideaal zijn: er moet met spoed omgezien worden naar een grotere ruimte. Van Eeden, die elke dag vanuit zijn woonplaats Bussum met de trein reist, spreekt een medereiziger over dit probleem. Het is de president commissaris van het pasgebouwde Hotel du Passage aan de Prins Hendrikkade. Hij biedt een betere ruimte aan voor een redelijke prijs zodat de dokterscompagnons per 15 september hun tenten opslaan in het hotel tegenover het centraal station.In het najaar van 1887 en in mei van 1888 wordt de vader van van Renterghem zwakker en ziek. De oude man stelt de medische bijstand van zijn zoon zeer op prijs. Beide perioden reist de jonge dokter reeksen van dagen aaneen naar Goes. :”.. Met den trein, die 6 uur ’s avonds Amsterdam verliet, om tegen 10 uur in Goes te arriveeren, deed ik dan telkens de reis, en keerde den volgenden ochtend half 7 terug naar den hoofdstad, waar ik om 11 uur aankwam, en mij dan direct naar het Hotel du Passage begaf,om mijn praktijk te doen..” van Renterghem voegt daaraan toe dat hij weliswaar de behandeling van zijn vader met liefde deed maar dat die hulp ‘uiteraard iets gebrekkigs had”Nadat van Renterghem zich definitief in Amsterdam vestigt zijn lopen en de paardentram zijn belangrijkste vervoermiddelen. Het grotere pand dat ruimte biedt voor de praktijk van beide artsen verschaft ook woonruimte aan het gezin van Renterghem. Bovendien maakt het mogelijk pension te bieden aan patiënten die van ver komen of intensieve zorg vereisen.Nu heeft van Renterghem zijn werk aan huis en hoeft hij daarvoor minder te reizen. Toch reist hij steeds vaker met de trein voor familiebezoek in Goes en Brussel. En nu de zaken zo goed lopen komen vakantiereisjes met het hele gezin binnen bereik. Een reis per trein naar Scheveningen en een verblijf van 4 weken daar wordt overwogen. Het kost F 15, - per dag om vader en moeder van Renterghem met 3 kinderen en het kindermeisje in Hotel Rausch te huisvesten. Een ‘een beduchte som’ oordelen ze maar blijkt uiteindelijk toch haalbaar. Reizen per spoor naar congressen worden door van Renterghem en vrouw dankbaar gecombineerd met vakantiebestemmingen. Zo worden vele collega’s en toeristische plaatsen bezocht in Duitsland, Parijs, België. Zweden, Zwitserland, Denemarken en Noorwegen. Vaak worden daar binnenlandse tochtjes per boot ingelast.FietsenIn het voorjaar van 1898 is het mooi weer. De zonen van Renterghem genieten met volle teugen van football en fietsen. Vaak moedigen zij hun ouders aan om ook te leren wielrijden. :”…. En werkelijk lieten we ons moeder en ik ons belezen het fietsen te leeren. We begaven ons op een avond naar de wielrijdersschool van den heer Wesling op de Stadhouderskade, en zouden daar voortaan ’s avonds voor donker en;’s ochtends voor het ontbijt les nemen. Wij hebben het beiden zoover gebracht, dat we tali quali de kunst verstonden en ons zelfs buiten gewaagd..”,”.. Zeer heugt me nog de beschrijving, die Lènetje me deed van een ritje door haar gedaan naar het Kalfje, a.d. Amstel, waarbij ze geëscorteerd was door Charles’vriend, Piet Binkhorst. Ze reed eene verpleegster aan, die niet tijdig uitweek voor de wild schellende mevrouw v.R. en werd door de pleegzuster erg afgesnauwd, dan stuurde ze recht toe recht aan op een hooiwagen,om op het uiterste nippertje door haar cavalier gered te worden van een dreigende collisie. Een oogenblik later reed ze tegen een boom-stam, dien ze een poos krampachtig omarmd hield, en eindigde met Piet samen van den dijk af te sukkelen. Beiden kwamen met den schrik vrij, maar besloten de laatste minuten voor de aankomst bij het Kalfje naast de fiets te wandelen. Na voor den schrik zich met een kop thee te hebben verfrischt , eindigden de reizigers per havenstoomboot naar de stad terug te varen. Sedert ontdekte moeder Lènetje, dat het fietsen heelemaal niet deugde voor haar, die aan aderspatten leed aan beide onder-extremiteiten”Nu was vader van Renterghem niet een veel betere wielrijder. Volgens zijn zonen trok hij: “ een hoogst ernstig gezicht gezicht als hij boven op zijn wiel zat, en was zoo weinig vaardig in het afstappen, dat hij steeds hulp van een hunner behoefde bij die gelegenheid. De jongens beweerden, dat als toevallig niemand hunner bij zijn thuiskomst aanwezig was, hij maar wanhopig rond bleef rijden tot hulp opdaagde en hem uit zijn netelige positie bevrijdde. Op de wielrijdersschool had men opgemerkt, dat Dr.v.R. onder alle omstandigheden bedaard scheen te blijven. Zelfs als hij met zijn fiets viel deed hij dat nog statig en kalm. Persoonlijk herinner ik me, dat ik eens, slecht meester over mijn wiel, tijdens de oefening op de baan, de kleine bar te zijn binnen gereden en mij hield alsof dat mijne bedoeling was geweest, en met een stalen gezicht een kop koffie bestelde.Zes weken hebben mijne vrouw en ik een eigen wiel bezeten. In dien tijd heb ik het waagstuk begaan alleen een tocht te doen naar Ouderkerk, en het er heelhuids afgebracht, en een andermaal met de jongens en mijn patiënt kap. V.d. Genie Fauel een rit naar Hilversum, op het wiel heenwaarts en met de spoor terug gemaakt. Dan hebben wij beiden het wielrijden er aan gegeven, en deze sport aan jongere krachten overgelaten.”(Van Renterghem was toen 53 jaar.)Cooks ReizenIn 1908 besluit ’t echtpaar Van Renterghem weer op vakantie te gaan. Gekozen wordt voor een zesweekse reis door Engeland en Schotland. Van Renterghem noteert in zijn biografie:”… Aan Cook’s reis-bureau te Amsterdam voorzag ik me van een reis-chèque P. 100 tegen f. 1212,50 en betaalde contant ons reisbiljet 1e klasse Amsterdam-Vlissingen-Londen 2 x f 23,25. Meteen nam ik vooraf tickets voor Cook’s drives op Woensdag 10 en Donderdag 11 juni voor ons en Dorothy om Londen rond te karren, ons een overzicht van de hoofdstad te bezorgen en Hampton-court te bezoeken. Deze tochten kostten resp. 10 en 15 shilling de persoon. Eindelijk besprak en betaalde ik logies voor 7 dagen in een door Cook aanbevolen pension: Stantham’s private-hotel, Yorkplace, à raison van 6 ½ Sh. per persoon en per dag. Aan Hollandsch geld nam ik nog f 320,- extra mee, en zoo vingen we, voorzien van een groot leeren valies en twee rugs Zaterdagmiddag 6 juni, onze reis aan. Antoine was al naar Brussel. Albert begeleidde ons naar het station Weesperpoort van waar we ’s middags 6.15 over den Bosch naar Vlissingen vertrokken.”De buitenlandse reisdoelen kunnen nog zo trekken; Van Renterghem en vrouw gaan niet verder voordat ze een paar dagen lang hun vroegere Zeeuwse woonplaatsen en wat oude bekenden hebben bezocht.Daartoe laten ze zich rijden in een wagentje getrokken door twee paarden waarover Marien Hoffius die koetsiersknecht is bij Duvekot, de scepter zwaait. Na de nodige bezoeken te hebben afgelegd : …liet ik Marien door de Poel naar ’s Heerhendrikskinderen rijden, om eindelijk langs den ’s H.H.K.-dijk den terugweg te maken naar de stad. En zoo geschiedde. Even hielden we stil bij den stalhouder. De baas was uit, maar de vrouw stond me te woord. Voor ons ritje hadden we f 2,- te betalen en voor een landauer met twee paarden, die we bestelden om ons morgen naar Vlissingen te rijden moest het f 6,- kosten. Maar Marien zou ons niet kunnen rijden, daar hij zijn wekelijksche rit met den kruidenier V.d.Hoek naar Kruiningen en Fort Bath moest doen.”Over de tocht naar Engeland is van Renterghem kort: “De overtocht bood niets bizonders aan. Tegen 7 uur met vol daglicht meerden we aan de kaai te Queensborough, vlak bij het spoor emplacement en zaten weldra in een gemakkelijke 1e klasse coupé,in gezelschap eener Duitsche dame, op weg naar de hoofdstad. Om 9 ure reden we het station Holborn binnen, waar Dorothy ons opwachtte, een cabby praaide en met ons medereed naar Yorkplace. Voor 3 shilling six pence waren we in Stanham’s private hotel aangeland…”Als het gezelschap na een lunch ‘zachtjes opwandelend door Londen’ een Cinema in ’t oog krijgt besluit ze dat ook eens te willen meemaken. Voor 1 sh. intree zien ze stadgezichten en natuurtaferelen. Na een reis door Nieuw Zeeland en langs de fjorden van Noorwegen, maken ze een tramtocht in beeld door de straten van Amsterdam. “…Onder anderen reden we met lijn 2 door de Willemparkweg, passeerden ons huis en zagen ons dienstmeisje uit het venster kijken. Na deze vertoning reisden het gezelschap per Tube naar Earls-Court, een groot gebouwencomplex waarin de Wild West Exhibition was ondergebracht waar ze acties zagen van Cowboy’s die wilde tochten ondernamen., tegen heuschelijken roodhuiden met de lasso wierpen, wilden paarden temden en het leven aanschouwden van de Indianen in hunne wigwams.”15 juni gaat het gezelschap per trein naar Edinburgh.:”Binnen het half uur bracht een cab ons met bagage en al voor 2 Shill. Sixpence naar St. Pancras station van de Midland Railway. Een porter bezorgde onze bagage in den wagen voor Edinburgh voor 1 sh.6, en een oogenblik later zaten we rustig en wel op besproken plaatsen in een 3e klasse waggon. Op deze route rijden slechts 2e en 3e klasse coupé’s, gelijk zulks ook in Zweden en Noorwegen gebruikelijk is. De 3e klasse coupé’s zijn veel netter dan bij ons in Holland. Men zit op kussens. Ook kan de 3e klasse reiziger van de dinnercar gebruikmaken. Verreweg de meeste reizigers ziet men aan de 3e klasse wagens de voorkeur geven…”1910 reizen van Renterghem en zijn vrouw naar Portugal en van daar uit zelfs naar Marokko, Tanger en Algiers. Daar worden de onvermijdelijke ezelsritjes gemaakt. Ook deze reizen wordt dankbaar gebruik gemaakt van de diensten van ‘Cooks’. Onder leiding van een gids doorkruisen de twee per auto Algiers.VliegenIn 1921 maken Renterghem en vrouw een vliegtochtje: “In het voorjaar 1921 werd door de Ned. Luchtvaart Maatschappij groote reclame gemaakt voor haar geregelde vliegtochten, die twee malen daags van Amsterdam over Brussel naar Parijs en van Amsterdam naar Londen plaats vonden. Zoo gaarne wilde ik, die als kleine jongen de reis van Amsterdam naar Weesp nog met de trekschuit had afgelegd, de voldoening smaken, ook de sensatie leeren kennen van met een vliegtuig te reizen. Ik wist mijne vrouw voor het plan te winnen om onze zomerreis in te zetten met een vliegtocht Amsterdam-Parijs. Beiden wisten we ons in te praten, dat deze wijze van reizen tenslotte weinig meer gevaar inhield dan die per motorfiets, auto, spoorweg of stoomboot. Als einddoel van onze reis stelden we vast Marseille en dachten van die plaats uit naar Nederland terug te keeren aan boord van een mailboot van den Rotterdamsche Lloyd…”, “…Woensdag 15 Juni werd onze vertrekdag. Wij namen ’s middags 12 uur afscheid van Guytje en Tonnie, die beloofden op den afvaart-tijd van de Avion goed naar het luchtruim te zullen turen en ons naoogen. Antoine zou ons uitgeleide doen naar het vliegterrein. Hij nam zijn Kodak mede en zoo begaven we ons naar het wachtlokaal van de Luchtvaart Maatschappij op het Leidscheplein. We troffen hier Peggy’s ouders aan, die ons even goede reis kwamen wenschen. Weldra verscheen ook Guytje’s vriendin Colette Ingenhous, met het doel, ons mee uitgeleide te doen naar Schiphol, waar het luchtschip zou opstijgen. Tegen een uur bracht de auto-bus ons met zijn viertjes, eene medepassagieres en den pilote naar Schiphol. Onze groote bagage was 2 dagen tevoren door Lisonne medegenomen naar Parijs. We zouden die in Hotel Terminus, bij la Gare St.Lazare, waar we logies hadden besteld, terug vinden. Slechts lichte bagage namen we in het luchtschip mede. Tegen een kleine premie verzekerden we ons leven voor dezen overtocht tot een bedrag van f 10.000,- bij het nemen van onze tickets. De reis kostte ons per persoon 75 gulden.Reeds was men op het terrein bezig de voorbereidselen te treffen voor het vertrek van de avion ‘Goliath’, die bestuurd werd door den Franschen pilote Loriot. Dit groote vliegtuig kon 14 passagiers en de noodige bagage vervoeren. Precies 2.15 bleek alles gereed en stonden we naast het vliegtuig met zijn twee proefdraaiende propellers. We nemen nu afscheid van Antoine en Colette. Eerstgenoemde houdt zich gereed nog eenige snapshots te nemen; terwijl stapt moeder Lènetje, gevolgd door haar man de cabine in. Eene Engelsch sprekende jonge vrouw was bereids ingestapt. Wij nemen plaats in de langwerpige, smalle ruimte, bezetten ieder een rieten leuningstoel, in het voorste gedeelte van het luchtschip. Achter ons, eenigszins meer verheven, zitten de pilote en diens aide, klaar om te vertrekken. Nu worden voorgoed de motoren aangezet, die onder een oorverdoovend geraas de beide schroeven in duizelingwekkende beweging brengen.. De hierdoor verwekte cirkelende luchtstroom, jaagt zand en kluiten op. Wij hooren den pilote all right! Roepen en oogenblikkelijk daarna kruit de machine op zijn twee wielen hobbeldebobbel de weide grasvlakte over. Binnen weinige seconden verheft zich het zware vliegtuig rustig en voornaam van den bodem. De realisatie hiervan bespeuren wij aan het gaandeweg kleiner worden van het landschap, dat onder ons wegzinkt. Pas hieruit leiden we af, dat we heusch zweven en voorwaarts vliegen. Weldra bevinden we ons boven een grooten vijver, die niets anders kan zijn dan de Kralingsche plas. Wij kijken onze oogen uit, zitten gemakkelijk, maar spreken geen woord, sedert onze eerste pogingen daartoe onverstaanbaar bleken voor den toegesprokene. Na een 10 minuten te hebben gezweefd wordt het voortdurende geraas van de machine plotseling overstemd door een schurend hevig geluid, vergezeld van een kortstondigen regen van stof en houtsplintertjes, die mijn hoed en jas bedekken en doordringen. Ik tracht mezelf zooveel mogelijk van stof te ontdoen, neem overigens geen notie van dit feit, totdat ik bespeur, dat de pilote langzaam van koers verandert en zoo waar terugvliegt naar ons punt van uitgang. Tevergeefs poog ik deze waarneming mijner vrouw mede te deelen. Zij hoort mij niet. Pas toen ze merkte, dat de grasvlakte naar ons toe scheen te komen en stellig toen ze voelde, dat de wielen van de avion weer den bodem raakten en we andermaal in afnemend tempo hobbelden, kwam ze de werkelijkheid te beseffen, van weer op den bodem gearriveerd te zijn. De pilote opent het portier en noodigt ons uit te stappen. Antoine komt met min of meer onthutst gezicht ons bij het uitstappen tegemoet. Hij was nog wat op het terrein gebleven, doch Colette reeds terug naar de stad gegaan. Dankbaar realiseerde hij, dat we beiden welvarend waren en was even nieuwsgierig als wij zelve naar wat aanleiding had kunnen geven tot dien onverwachten terugkeer. En nu vernamen wij van den loods dat een klein accident had plaats gehad. Van een der beide schroeven was een stukje afgebroken, dat bij zijn losraken in de ruimte geslingerd, even het dak van de cabine, waarin we zaten, had gehavend. Als gevolg van die averij was ik met stof, splinters en vet op hoed en jas bedekt geworden. Tot mijn spijt kon heden de reis met de Goliath niet worden voortgezet; eerst morgen, als uit Haarlem een nieuwe schroef zou zijn aangebracht, kon dit luchtvaartuig weer dienst doen.De kleren van van Renterghem worden met wat terpentijn schoongemaakt en hij overlegt met de directie van Schiphol. Die besluit om degenen van het gezelschap die dat willen, alsnog die dag naar Parijs te brengen. De zojuist uit Londen teruggekeerde Fokker- limousine wordt daarvoor reisvaardig gemaakt en van benzine voorzien. De Engelse pilote zal hen daarmee naar hun bestemming vliegen.De Fokker is veel kleiner: Van Renterghem: In verhouding had men genoemd vliegtuig een barouchette kunnen noemen en de Goliath den naam toekennen van Diligence. De Fokker voert slechts één schroef.”.”Vijf clubsessel staan hen ter beschikking. De Amerikaanse reisgenote en het echtpaar van Renterghem zetten de reis voort. Het gezelschap maakt na 1 ½ uur een korte tussenstop. De pilote komt even een praatje maken en informeert naar het welzijn van zijn reizigers. Ongeveer 6.15 passeert het vliegtuig de Seine en enkele momenten later staat het vliegtuig op vliegveld Le Bourget. De passagiers stappen stijf en doof uit en verwonderen zich er over dat ze in 3 ½ uur tijds van Amsterdam naar Parijs gereisd hebben.:”Nu is het verlangen om de behouden aankomst naar huis te seinen. Op het veld bleek daar echter geen gelegenheid toe te zijn. Men troostte ons met de verzekering, dat de maatschappij dadelijk station Amsterdam telegrafisch zou berichten, dat de avion behouden was aangekomen Onze passen werden vluchtig ingekeken, onze bagage nagezien. Dan was het even wachten op den pilote. Tien minuten later zaten we met zijn drieën in de auto, terwijl de Engelschman, die zoo in een dag van Londen naar Amsterdam en een uur later van daar naar Parijs zijn vliegtuig had gestuurd, nu naast den chauffeur druk zat te praten. …” ,Even later bereiken ze hun hotel: “…..en zo zagen we ons tot onze eigen verbazing binnen 3 ¼ uur van Amsterdam naar Parijs verplaats. Noch mijne vrouw, noch ik hadden enige angst ontwaard. Behalve een weinig hinder van de benzinelucht, van het ruim 3 uur lang onbeweeglijk zitten en de tijdelijke doofheid tengevolge van het geraas van den motor, hadden we geen ongemak ondervonden. Noch de stijfheid, noch de doofheid, noch de benzine lucht zouden ons afschrikken om zoo noodig andermaal een vliegtocht te ondernemen. En dokter van Renterghem zou zichzelf niet geweest zijn als hij er niet aan dacht welke voordelen dit vervoermiddel zou kunnen hebben in de medische zorg: “Als vervoermiddel voor een ernstige gewonde of zware zieke lijkt het luchtschip te voldoen aan de eischen door Socrates gesteld voor het behandelen van zieken: cito, tuto et jucunde.Tijdens het verblijf in Frankrijk krijgen de Van Renterghems brieven en couranten toegestuurd door hun kinderen. Daaronder is een knipsel uit het Avondblad van het Handelblad van 15 juni 1921. Daarin is te lezen hoe gewoon het tegenwoordig is om met een vliegtuig te reizen:LuchtvaartHet vliegverkeer“Onlangs ging een nurse met twee kindertjes van 3 en 4 jaar naar Parijs om Ma te bezoeken, die er onverhoopt langer had moeten verblijven en sterk naar haar kinderen verlangde. De kleine kleutertjes stapten in het vliegtuig zooals ze anders in een auto zouden stappen. De een had een wollen schaapje op wieltjes en de ander had een spoortreintje. In het lange gangpad van de Goliath, 2000 Meter hoog, hebben de kleintjes met schaapje en trein lustig gespeeld, heerlijk heen en weer gerend en het zelfs de bestuurder een beetje lastig gemaakt. En toen zij terug moesten hebben ze gewacht tot er weer een Goliath ging, omdat de kinderen in de andere vliegtuigen geen ruimte genoeg hadden om onderweg te spelen. . Een dezer dagen kwam op schiphol een bejaard echtpaar om naar Parijs te vliegen. Zij telden tezamen meer dan 1 ½ eeuw. Het was om zoo te zien een rustig deftig Hollandsch echtpaar, degelijk gekleed, afgemeten in hun bewegingen. Zij vroegen niet, zooals men nog een paar maanden geleden altijd hoorde, of het gauw ging, of het koud was, of je duizelig werd, of je geen kans had om naar beneden te komen vallen. Neen, voor hen was het luchtverkeer het nieuwe middel van verkeer, zooals het vroeger de auto was geweest en toen na een kwartiertje vliegen het toestel terug moest keeren, teneinde een klein mankement te herstellen, werd de bejaarde heer een beetje kort aangebonden, wanneer hij nu eindelijk naar Parijs kon vertrekken. Langzaam maar zeker schijnt het besef, dat vliegen geen halsbrekende onderneming is, veld te winnen……”Copyright Johan Eland


Terug naar webwinkel van Antiquariaat Lilith

-->

1 comment:

Puk said...

Geachte heer Eland, wat een prachtig verhaal! Ook met veel humor geschreven. Mag ik alleen suggereren dat u Heinekenszand verandert in Heinkenszand? Nogmaals, ik heb genoten van dit verhaal. Met vriendelijke groet, P. de Laat